Leden:



Wachtwoord vergeten?
Registreren
Actueel:
 
 
Verschil tussen stand-up in Eng/Us en NL:
Engeland:
In Engeland heeft stand­up zich gedeeltelijk op dezelfde manier ontwikkeld als in Amerika. Ook hier zette de zogenaamde "Alternative comedy" zich af tegen zijn voorgangers.
Traditioneel werd Engelse comedy gedomineerd door de "Music-hall".
Music-hall had een lange traditie van sociale satire, maar werd in de loop van de tijd steeds respectvoller, waardoor de humor minder scherp en spannend werd.
Tussen de twee wereldoorlogen was "variety" populair, een theatervorm waar het accent meer lag op nonsens dan op satire.
Na de tweede wereldoorlog werd het amusement gedomineerd door de comedians die tijdens de oorlog deel uitmaakten van de Forces Gang Shows. Hun humor was scherper en surrealistischer. Tony Hancock en The Goons, waar Peter Sellers en Spike Milligan deel van uit maakten waren de belangrijkste vertegenwoordigers van deze stijl.
In de jaren zestig werd comedy overgenomen door de zogenaamde "Oxbridge-Mafia", comedians die ervaring hadden opgedaan in de toneelverenigingen van Oxford en Cambridge. De leden van de satirische groep Beyond the Fringe, met onder andere Alan Bennett, Peter Cook en Dudley Moore waren de aanstichers van een ware "satire-boom". Peter Cook werd de oprichter van de eerste Londense satirische nachtclub The Establishment. Voor deze club haalde hij in 1962 onder andere Lenny Bruce naar Londen voor zijn eerste en enige voorstelling in Europa. Ook de leden van Monty Python's Flying Circus kwamen voort uit deze Oxbridge-mafia.

Aan het eind van de jaren zeventig ontstond er een nieuwe generatie comedians die zich zowel afzette tegen zowel de een beetje hautaine, intellectuele humor van de studenten als de zogenamde "old-school-comedians" die in pubs moppen vertelden over schoonmoeders, Ieren, Pakistani en negers.
De oprichting in 1979 van de Comedy Store in Londen werkte als katalysator voor de ontwikkeling van deze generatie. "Alternative comedy" wilde comedy maken over het leven zoals dat door het publiek echt geleefd wordt. Van deze stroming, enigszins verwant aan punk, maakten onder andere Alexei Sayle, Adrian Edmondson, Rick Mayall, Ben Elton, French and Saunders en Lenny Henry deel uit. Zij waren jong, radicaal en working-class. Politieke satire, hoe de regering het leven van alledag beïnvloedt, was een van van hun wapens.
"Alternative comedy" had nog een belangrijke invloed. Net als bij de ontwikkeling van de Amerikaanse stand-up comedy was ook hier een duidelijke verandering dat de comedians hun eigen materiaal schreven, materiaal dat dicht bij henzelf lag, dat bij voorkeur alleen door de comedian zelf geschreven kon zijn.

"In het traditionele comedycircuit kochten comedians stapels grappen, die, als ze eenmaal verteld waren, publiek bezit werden en vanaf dat moment door alle komieken steeds weer opnieuw verteld werden. Ze gaven niks van zichzelf bloot. Hun humor was bedacht, hun shows bestonden uit eindeloze reeksen one-liners, onpersoonlijk en uitwisselbaar. Als je het eenmaal gehoord had, hoorde je het duizend keer van honderd totaal niet meer uit elkaar te houden komieken. Zelf schrijven, niet een ideologie, is de blijvende verdienste van Alternative comedy.
Zoals de Beatles voor een revolutie in de popmuziek zorgden door hun eigen nummers te schrijven, hebbende de "alternative comedians" voor een renaissance in stand­up comedy gezorgd door hun eigen teksten te schrijven en hun eigen grappen te brengen die passen bij hun persoonlijkheid en ervaringen", zo schrijft comedy-recensent van the Guardian William Cook in zijn boek Ha Bloody Ha.

Het huidige comedycircuit zet zich al weer af tegen de "alternative comedians". Volgens deze nieuwe generatie probeerden de alternative comedians alleen wanhopig politiek correct te zijn, zonder in humor veel te veranderen. "Pakistani" is vervangen door "Tories"en "schoonmoeder" door "Margaret Thatcher", that's all". Het politieke mag bij de nieuwe generatie comedians als Jack Dee, Lee Evans, Eddy Izzard, Harry Hill, Frank Skinner en Alan Davies dan verdwenen zijn, stand-up bloeit als nooit tevoren. Londen kent op dit moment meer dan zeventig, al dan niet permanente, comedyclubs.

Ook in Engeland is stand­up inmiddels ontdekt als opstapje naar televisie, maar gelukkig is de Britse televisie wat terughoudender met het uitzenden van stand-up shows. Meermaals is vergeefs geprobeerd om het live-aspect, de aanzet tot dialoog, in een televisieconcept te vangen. Het uitzenden van een opgenomen voorstelling zal nooit hetzelfde teweeg brengen als wanneer je zelf van de voorstelling getuige bent. Een kijker zal nooit het gevoel krijgen dat hij de volgende kan zijn die kan worden aangesproken. Meer nog dan bij een echte theatervoorstelling verliest stand-up veel van zijn essentie bij een televisieregistratie.

Nederland:
Nederland kent zijn eigen cabaretvariant die grotendeels gebaseerd is op het Franse cabaret artistique. In die Nederlandse variant is er grote aandacht voor het gesproken woord. De belangrijkste conferenciers vertonen oppervlakkig gezien grote gelijkenis met de Amerikaanse stand-uppers. Zo zijn Wim Kan en Toon Hermans er in geslaagd om de afstand tussen publiek en artiest te verkleinen. Freek de Jonge ging op een goed moment met uitsluitend wat losse aantekeningen het podium op om de voorsteling zo, in de try-outs, te laten ontstaan. Toch hebben deze cabaretiers veel meer de intentie een theatervoorstelling te maken. Zijn zij veel meer geworteld in het cabaret.

Het Nederlands cabaret maakt de laatste jaren opnieuw een tijd van bloei door. De honger naar steeds maar weer nieuw talent is haast niet te stillen en minstens vier grote cabaretfesivals werken zich jaarlijks in het zweet om al dat nieuwe talent te presenteren. Wie zich een plaatsje wil veroveren in de cabaret-scene moet zo'n festival winnen. Van zo een winnaar wordt vervolgens verwacht dat hij een voorstelling heeft van minstens een half uur zodat hij kan meedraaien in cabarestafettes, waar bij voorkeur een geschikt kwartier bij zit voor de jaarlijkse televisieregistratie. Het liefst wordt echter gezien dat een dergelijke winnaar meteen een avondvullend programma heeft, zodat hij rechtstreeks de theaters in kan. Wie dat wil kunnen, moet in wel zeer korte tijd een enorme ontwikkeling doormaken, want het "tweede circuit" van buurthuizen en jeugdhonken, waar de vorige generaties cabaretiers zich in heeft kunnen ontplooien, is grotendeels wegbezuinigd.
Cabaretvoorstellingen zijn de afgelopen decennia bovendien steeds meer "theatervoorstellingen" geworden. Het ensemblecabaret met "liedjes en scetches met daartussen een black-out", heeft afgedaan. In de moderne cabaretvariant "zijn de satirische grappen ingebed in een dramatische vorm, als onderdeel van een verhaallijn die naar een climax toewerkt", zo schrijft cabaretrecensent Henk van Gelder in het NRC Handelsblad.

Als reactie op deze ontwikkeling introduceerde Raoul Heertje in 1990 stand-up comedy in Nederland. Van zijn eerste show leerde hij dat hij op z'n best was als hij z'n tekst kwijt was of iets met het publiek deed, en bovenal dat hij nog heel veel moest leren. Aangezien er in Nederland geen circuit bestond om het vak te leren besloot hij zelf een circuit op te zetten. Café's waren de voor de hand liggende plek aangezien daar in de betrekkelijke anonimiteit opgetreden kan worden. Zodra er opgetreden wordt in een dergelijke locatie word je als artiest al snel gedwongen gebruik te maken van de technieken en principes van de Amerikaanse stand-up. Oorspronkelijk, direct en open naar het café publiek dat niet speciaal voor jou gekomen is. Zijn droom was gelijkgestemde geesten te ontmoeten waardoor er als groep een paraplu werd gecreëerd waaronder ieder individu zich kon ontwikkelen.
Hij verzamelde vanaf 1990 een aantal mensen om zich heen dat in dat idee geloofde. Heertje moest met zijn gezelschap, Comedytrain, op zoek naar plaatsen waar zij aan de Nederlandse variant konden werken en waar de nieuwbakken comedians ervaring op konden doen. Cafés werden benaderd met de vraag of Comedytrain, tegen een geringe betaling van de café-eigenaar, voor niet-betalende bezoekers mocht werken aan de Nederlandse stand­up variant. Stand-up comedians van het eerste uur waren, naast Raoul Heertje, John Jones, Arthur Umbgrove en Theo Maassen, later gevolgd door Pieter Bouwman, Hans Teeuwen, Bas Grevelink en Owen Schumacher. Niet veel later volgden Eric van Sauers, Lennette van Dongen, Thomas Acda en Hans Sibbel en Dolf Jansen.

Het is nooit de bedoeling van Comedytrain geweest zich af te zetten tegen het cabaret, noch om de Amerikaanse stand-up één op één in Nederland te importeren, maar veeleer om de sterke kanten van deze vorm in onze rijke cabarettraditie op te nemen. De kracht van deze vorm ligt vooral in het ontbreken van overdreven theatrale pretenties. Geen geforceerde rode draden of morele zedenprediking, maar rechtstreeks contact met het publiek. De bedoeling is niet noodzakelijkerwijs om mensen te vertellen hoe de wereld in elkaar zit, maar om met het publiek als het ware te converseren, verbazing te delen, andere kanten van gewone zaken te belichten en verontwaardiging te uiten. Dat kan op allerlei manieren. Soms grof, liefst subtiel maar vooral direct, pratend alsof je met je vrienden praat en bovenal "live". Binnen twee jaar bleek het experiment een groot succes. Stand-up comedy was een begrip geworden. Niet alleen was er veel belangstelling voor optredens van Comedytrain zelf, op deze manier werd aan nieuwe talenten de gelegenheid geboden binnen Comedytrain ervaring op te doen. De import van stand-up comedy heeft ook hier als een katalysator gewerkt voor de ontwikkeling van mensen als Theo Maassen, Arthur Umbgrove, Hans Teeuwen en Lenette van Dongen. Zij maken in hun cabaretprogramma gebruik van stand-up technieken en leveren zo hun bijdrage aan de ontwikkeling van het Nederlandse cabaret.

De Comedytrain blijft aantrekkingskracht uitoefenen op weer nieuwe comedians. Marc Scheepmaker, Najib Amhali, Sanne Wallis de Vries, Eric van Sauers, Jan Jaap van der Wal, Nico van der Knaap, Murthy Mossel en Howard Komproe zijn de nieuwe talenten die zich binnen het collectief hebben ontwikkeld. In 1995 werd Comedytrain bekroond met de Pall Mall Export-prijs.
Aanbevolen literatuur:
  • Phil Berger,
    The Last Laugh - The world of stand­up comics,
    New York 1989
  • John Connor,
    Comics - A Decade of Comedy at the Assembly Rooms,
    Londen 1990
  • William Cook,
    Ha Bloody Ha - Comedians Talking,
    Londen 1994
  • Arthur Grace,
    Comedians,
    1991
  • Robert A. Stebbins,
    The Laugh-Makers - Stand-up Comedy as Art, Business and LifeStyle,
    1990
  • Roger Wilmut en Peter Rosengard,
    Didn't you kill my mother-in-law?
    Londen 1989
  • A- Z of comedy - UK's most comprehensive guide to comedy,
    1994

 

Meer info:
Voor meer info ga je naar www.comedytrain.nl
Zij weten echt alles van Stand-up Comedy!
(Deze tekst is afkomstig van ComedyTrain. www.comedytrain.nl)
Alle rechten voorbehouden: © Copyrights Cabaretmagazine.nl 2003 - 2017
Disclaimer - Twitter - Facebook - Contact
customer service software technical support
Live Chat by Comm100