Leden:



Wachtwoord vergeten?
Registreren
Actueel:
 
 
Wat is stand-up?
De Canadese socioloog Robert Stebbins publiceerde in 1990 een studie "The Laugh-Makers" over stand-up comedy en kwam daarin met de volgende definitie:
"Stand-up comedy is de kunstvorm, oorspronkelijk ontwikkeld in de Verenigde Staten, waarbij een humoristische dialoog wordt gebracht voor een publiek.
Het gesprek is in principe voorbereid en wordt meestal op een spontane , conversatietoon gebracht, alsof de artiest tegen zijn vrienden praat. Hoewel de acts meestal eenrichtingsverkeer zijn, kan er interactie ontstaan tussen publiek en artiest, zelfs als de laatste dat niet wil. Een typische act bestaat uit anekdotes, verhalende grappen, one-liners en korte beschrijvende verhalen, die al dan niet verband met elkaar houden. Comedians zijn het er tegenwoordig min of meer algemeen mee eens dat de besten het meeste of al hun materiaal zelf schrijven, zodat het bij ze past. Deze originele presentaties zijn persoonlijker en directer, minder teughoudend, dan uitgeschreven presentaties en materiaal waarin een bepaald sociaal type of bekend persoon wordt geimiteerd. Er zijn dan ook vooral veel solisten; duo's en groepen bestaan, maar zijn zeldzaam. Gesproken tekst is de essentie van stand-up comedy.
Andere theatrale hulpmiddelen, zoals kostuums en schmink, worden ofwel vermeden ofwel van minder belang geacht.
"

In deze definitie zit een aantal belangrijke kenmerken.
Dialoog:
Bij stand-up comedy gaat het dus allereerst om een humoristische dialoog met en voor het publiek. Het is de theatervorm die het meest de intentie heeft een dialoog aan te gaan. Dat wil zeggen dat een stand-up comedian zich tijdens zijn voorstelling moet realiseren wat hij teweeg brengt en bereid moet zijn zijn voorstelling daaraan aan te passen. Wie het als stand­upper bijvoorbeeld heeft over het nieuws dat die dag in de krant heeft gestaan, maar tijdens dat verhaal merkt dat zijn publiek de krant die dag niet heeft gelezen, moet ofwel meer uitleggen ofwel wat anders gaan doen. Voor een dialoog is het dan ook niet per se nodig dat het publiek iets terug zegt. De dialoog kan ook non-verbaal zijn. Maar in een goed gesprek moet wel de mogelijkheid tot een reactie worden geboden. De bereidheid om je aan te passen wil ook niet zeggen, dat je je niveau moet verlagen. Het gaat er nog steeds om dat je zegt wat jij wilt zeggen, alleen zeg je het tegen het ene publiek op een iets andere manier of leg je andere accenten. Net zoals je met verschillende vrienden op uiteenlopende manieren over dezelfde onderwerpen kunt spreken. Of dat je bij een sollicitatiegesprek je leven op een andere manier beschrijft dan bij je eerste ontmoeting in de kroeg. Het blijft jouw verhaal, maar de toon is anders. Dat heeft niets te maken met klanten behagen, maar met het maken van contact. Daarin zit ook een van de belangrijkste verschillen met een theater- of cabaretvoorstelling.

"Van alle artiesten die er zijn - dichters, schilders, beeldhouwers - is de stand-up comedian naar mijn idee de enige die zijn werk creëert voor de neus van de mensen waar het voor bedoeld is, hij staat de mensen toe om het werk mede te vormen door hun reacties op het moment dat het wordt gevormd."
George Carlin, Amerikaans stand-upper.

Al dan niet een verband:
Bij een theatervoorstelling zijn de afspraken tussen artiest en publiek anders. In het theater gaat bij aanvang van de voorstelling het licht in de zaal uit en op het podium aan, een teken voor de zaal om te applaudisseren en vervolgens stil te zijn, passief te genieten. De theatermaker op het podium is een kunstenaar en heeft zijn verhaal te vertellen. Hij hoopt op instemmende reacties of op shockerende effecten, maar de publieksreacties zijn niet of nauwelijks van invloed op de inhoud van het programma. Een dergelijke voorstelling is bovendien meestal zorgvuldig opgebouwd; wat in het begin gezegd wordt, komt na de pauze terug en vormt zo "een rode draad". Er is een opbouw en logische volgorde van de nummers. Een stand-up comedian is niet bezig met het uitzetten van lijnen voor zijn programma. Hij gaat, goed voorbereid, het podium op en wil, samen met het publiek, een voorstelling maken.

Voorbereid materiaal
Dikwijls wordt gedacht dat een stand­up comedian alles improviseert; hij gaat met niets het podium op en daar ontstaan de grappen spontaan, ze worden ter plaatse geboren. Het is waar dat de vrijere vorm van stand-up comedy meer plaats biedt om te improviseren en het gebeurt ook wel degelijk dat een groot aantal grappen al improviserend ontstaat. Echter, elke goede stand-up comedian weet voor hij op gaat wat hij wil gaan zeggen, of in ieder ieder geval wat hij te zeggen heeft. Door de bereidheid een dialoog aan te gaan is de kans dat het materiaal dat je hebt voorbereid moet worden aangepast natuurlijk wel veel groter dan bij andere theatervoorstellingen.

Zelfs Lenny Bruce, die werd beschouwd als een improviserend genie en zich liet meevoeren door zijn eigen associaties, ging niet onvoorbereid te werk:
"Als ik op het toneel sta, heeft men vaak het idee dat ik dat allemaal al doende verzin. Dat is niet waar. Ik heb een hoop dingen die ik wil zeggen; ik weet alleen nog niet precies wanneer ik ze ga zeggen. Dit proces om het ene onderwerp met het andere te laten associëren is net als James Joyces stream of consciousness", zegt hij. En:"Ik ga nooit zomaar zitten en iets schrijven. Ik heb nog nooit zomaar een satire zitten uittypen. Wat ik doe, is dat ik op het toneel een zin improviseer. Stel die werkt. Dan doe ik de volgende avond nog een zin of ik ga erover zitten nadenken en het krijgt wat vorm. Zo wordt het langzaam een "stukje". Alles wat ik op het toneel doe, maak ik zelf. Als ik een show doe van een uur, en ik heb een vruchtbare dag, dan is ongeveer vijftien minuten pure improvisatie. Maar gemiddeld is dat ongeveer vier of vijf minuten. Maar doordat ik het al improviserend heb gevormd, krijgt het geheel een vrije vorm. En het nieuwe materiaal duwt het oude er langzaam uit."

De meeste comedians werken met dergelijke "blokjes" materiaal. Waar in een theatervoorstelling een logische opbouw is van blokje A naar B naar C, waarin weer wordt verwezen naar A, kan in een stand-up programma als daar aanleiding voor is B worden overgeslagen en van A naar C worden gegaan om te vervolgen met een nieuw blokje D.

Materiaal dat bij ze past
Door de intieme sfeer, de spontane manier van praten en het feit dat een comedian niets heeft om zich achter te verschuilen, valt het bij een stand-up comedian veel eerder op als hij niet zichzelf is, als hij materiaal brengt dat niet bij hem past. Het publiek voelt instinctief aan, "ruikt", wanneer een comedian 'theater speelt'. Natuurlijk is het karakter van degene die op het podium staat vaak een uitvergroting van dat van de comedian zelf, maar als de twee niet bijelkaar passen worden zijn grappen door het publiek meestal niet gepikt. Wie zich heel stoer presenteert terwijl het publiek door heeft dat de comedian onzeker is, is zijn geloofwaardigheid kwijt. Een cabaretier kan zich vaker verschuilen achter bijvoorbeeld de door hem gecreëerde personages. Als die personages of de voor de voorstelling noodzakelijke rustiger pasages geen succes hebben, zijn zij in ieder geval nuttig, of van belang voor de spanningsboog. Bij een stand-up comedyvoorstelling moet alles ten dienste staan aan het verhaal dat de comedian wil vertellen. Dat wil helemaal niet zeggen dat bij stand­up geen rustige scenes kunnen zitten, maar ze moeten wel ergens toe leiden. De Amerikaanse comedian George Carlin zei over dit bijzondere aspect van stand-up:
"Wat stand-up comedy zo bijzonder maakt is dat het gaat om een solo op het scherpst van de snede. Elke vijf, tien of vijftien seconden zoek je bevestiging. Je bent permanent aan het testen. Je legt je ziel bloot, openbaart alles en zegt:"Kijk, dit vind ik nou interessant en dit vind ik nou grappig. Wat denken jullie er van?""

Geen theatrale hulpmiddelen
Zoals hiervoor al even aangehaald heeft de stand-up comedian niets om zich achter te verschuilen. Hij stapt in het spotlicht op een podium met zijn stem, zijn lichaam en als enige wapen een microfoon met de pretentie grappig en of interessant te zullen zijn. Als hij niet leuk is, kan hij alleen zichzelf de schuld geven, niet het personage dat hij speelt, niet de schrijver die het bedacht heeft, niet het feit dat het publiek de voorstelling niet begreep. Als de voorstelling niet leuk gevonden wordt, weet de stand-up comedian dat hij niet leuk wordt gevonden. Hij stond immers op, zei "I can stand up here and be funny". Comedian Steve Martin zei over dat gevoel:
"Ik denk dat elke comedian zich beseft dat je elk moment maar één centimeter verwijderd bent van een absolute ramp"

Stand-up comedy is daarom dikwijls vergeleken met boksen of stierevechten. Lenny Bruce schrijft in zijn autobigrafie over zijn eeste voorstelling:
"Ik voelde zelfmedelijden en identificeerde me met Aruzza, Manolete, Belmonte en alle andere stierenvechters. Bang - Niet voor de stier, maar voor het publiek. Het publiek dat wacht om vermaakt te worden, te kijken en te oordelen."

Oorsprong: Amerika
Stand-up comedy is in principe zo oud als de wereld. Iemand gaat staan en vertelt een grappig, persoonlijk verhaal. Al bij de oude Grieken spraken toneelspelers voor het echte stuk hun prologen uit om het publiek op te warmen. De Middeleeuwse troubadours verluchtigden hun veelal gezongen voorstellingen met geïmproviseerde verhalen. Volgens sommigen zou de term stand-up comedy zelfs zijn afgeleid van het Nederlandse woord "standwerker", de matktkooplui die op een directe, confronterende en grappige manier hun waren aan de man proberen te brengen. Zoals we in Nederland hebben afgesproken dat het Nederlandse cabaret in 1895 is ontstaan, zo bestaat er grote overeenstemming dat stand-up comedy als theatervorm van Amerikaanse origine is. Sinds 1966 is de term opgenomen in Webster's dictionary. Maar woordenboeken lopen altijd zo'n tien jaar achter, want de moderne stand-up vindt zijn oorsprong in het begin van de jaren vijftig. Het was een reactie op het bestaande amusement.

Sinds het einde van de negentiende eeuw is "vaudeville" een belangrijke Amerikaanse theatervorm. Goochelaars, dansers, buiksprekers en comedians traden op in deze shows die veel minder vast lagen dan de volledig uitgeschreven Broadway­shows. Komieken in het vaudeville werkten meestal als duo of gezelschap. Eén van de eersten die min of meer werkte als een moderne stand-up comedian was Will Rogers. Hij zocht werkelijk contact met zijn publiek, maar speelde toch altijd een rol en maakte gebruik van hulpmiddelen en typetjes. In de jaren dertig werden de oude vaudeville voorstellingen te duur. De grotere theaters sluiten hun deuren en comedy verplaatste zich naar nachtclubs. De nachtclubs stelden heel andere eisen aan de comedians. Het publiek moest vermaakt worden en intussen blijven consumeren. Een comedian gaf in zo'n club dan één of meer concerten op een avond. Om het vak te leren en ook "concerts" te kunnen geven, kon je gaan werken in de zogenaamde "Borscht Belt"-hotels. Hotels in de Catskill Mountains, even buiten New York, waar, voornamelijk joodse, New Yorkers hun vakantie vierden. De jonge comedians, aangeduid als "toomlers" of "tumult makers", kregen hier de gelegenheid om ervaring op te doen, op hun bek te gaan en aan hun act te schaven. Het publiek was kritisch en volgens vele latere comedians was het werken in de Catskills een absolute ramp, maar wie hard genoeg werkte kon geld gaan verdienen en "concerts" geven in de nachtclubs. De nachtclub-eigenaren huurden immers alleen de gelikte shows in. Voor leren en experimenteren was daar geen plaats.

De "concerts" in de nachtclubs werden in eerste instantie dan ook vooral gegeven door moppenvertellers en oude komieken uit het vaudeville. Een nachtclub-eigenaar had het liefste snel resultaat en de komieken bereikten dat met korte grappen, one-liners en wise-cracks, zonder veel inhoud. Henny Youngman bijvoorbeeld was de koning van de one-liners. Bob Hope was in opkomst. Originaliteit was geen vereiste. Grappenschrijvers deden goede zaken en de beste comedian was de comedian die de beste grappen had gekocht, of gewoon simpelweg had gejat. De beroemde komiek Milton Berle had bijvoorbeeld een heel archief van bijelkaar gejatte grappen, "the Thief of Badgag" was zijn bijnaam.

In het begin van de jaren vijftig begint een nieuw geluid op te komen. Lord Buckley introduceert een hele nieuwe, hippe, manier van praten in comedy. Een stijl verwant aan de jazz. De eerste "nieuwe" comedian, de eerste stand-upper is Mort Sahl. Sahl was de eerste die, gewoon in een lamswollen trui, zonder das en met een opgerolde krant sprak over de dingen die hem bezig hielden. Zonder enig respect voor bestaande conventies was Sahl niet uit op snel effectbejag, hij had iets te vertellen. Hij wilde mensen niet alleen laten lachen, maar ook laten denken en wilde dat comedians in staat zouden zijn om hun gedachten te uiten. Hij deed dat bovendien zonder respect, "Is there any group I haven't offended?", was een van zijn gevleugelde uitspraken. De vrijheid en onbevangenheid waarmee Sahl opereerde inspireerde nieuwe stand-up comedians als Woody Allen en Lenny Bruce. Woody Allen toonde aan dat er ook een publiek was voor intelligentere humor, voor literaire grappen. Bruce werd een icoon van de nieuwe generatie "sick-comedians". Dit was een generatie satirische comedians met onder andere Mike Nichols en Elaine May, de liedjesschrijver Tom Lehrer die in hun werk onderwerpen aansneden die tot die tijd onbesproken dienden te blijven. Sahl richt zijn pijlen schaamteloos op Eisenhouwer en Nixon. Ze maakten grappen over de hypocrisie rond sex, rassenscheiding of over de angst voor ziektes. Phil Berger schrijft in zijn standaardwerk over stand-up comedy "The Last Laugh" over deze nieuwe generatie: "zij zijn op het toneel een afspiegeling van hoe zij in het echt zijn, in tegenstelling tot de oude comedians die hun bijelkaar gekocht en gejatte werk bij elkaar houden met techniek en charme". Van het schieten van grappen, wordt comedy meer een vorm van converseren.Lenny Bruce kwam in dit opzicht met een belangrijke vernieuwing: hij stopte jazz in zijn act. Hij improviseerde rond bepaalde thema's, zoals jazz-musici met muzikale thema's improviseren. "Another weak, no talent schmuck", noemde men hem in het begin. Maar als master of ceremonies in achterafzaaltjes en stripclubs maakt Lenny zich gedurende jaren de "shpritz" eigen. Aan de hand van vaste blokjes laat hij zich meeslepen door zijn eigen improvisaties en associaties, ter plekke filosoferend over de thema's waar hij grappen over heeft en daarbij alle trucs uit de kast trekkend die een stand-up comedian tot zijn beschikking heeft: timing, accenten, gelaatsuitdrukkingen, gebaren, imitaties en geluidseffecten. Als een gesproken jazzsolo.

Het is niet voor niets dat Lenny bij zijn optredens in jazzclubs het verwijt krijgt vooral de band te vermaken. "Dat had de eerste hint moeten zijn voor de richting waarin ik me moest begeven: abstractie. Jazzmuzikanten houden van kunstvormen die een uitbreiding zijn van realisme", schrijft Bruce in zijn autobiografie 'How to talk dirty and influence people'.

In deze periode verplaatste het comedy-circuit zich naar jazzclubs en de koffiehuizen in Greenwich Village. Begin jaren zestig streden comedians als George Carlin, Robert Klein, Joan Rivers en Bill Cosby met een legertje folksingers, dichters en jazzmuzikanten om een plaatsje op het podium van The Gaslight en Café Wha? in New York of The hungry i in San Fransisco.In 1963 werd de eerste echte comedyclub geopend. Budd Friedman werd eigenaar van The Improvisation Café in New York. Oorspronkelijk was het café bedoeld als gelegenheid waar artiesten na hun eigen voorstelling nog langs konden komen, maar binnen twee jaar was The Improv een ideale trainingsgelegenheid en podium voor comedians als Woody Allen, Rodney Dangerfield en Richard Pryor. De bespelers van de Improv krijgen nog niet of nauwelijks betaald, maar een eigen locatie toonde het belang van de nieuwe vorm. Het is bovendien de jaren zestig, tijd van politieke verandering en protest. Ook comedians spelen een rol in deze strijd voor politieke hervorming. Lenny Bruce en George Carlin worden zelfs gearresteerd voor hun openlijke aanval op de hypocrisie van de Amerikaanse maatschappij.Negen jaar later, in 1972, opende in Los Angeles een andere belangrijke comedyclub, The Comedy Store. Daar zijn David Letterman, Robin Williams, Garry Shandling en weer Richard Pryor bespelers van het eerste uur.

De Improv en de Comedy Store werden ideale locaties voor het spotten van nieuw talent. Vooral televisieproducers vonden hun weg naar de nieuwe comedyclubs. In 1975 achtten zij de tijd rijp voor stand-up comedians op televisie. In dat jaar begint de Amerikaanse kabelomroep HBO met het uitzenden van integrale comedyshows op televisie, Robert Klein is de eerste, maar velen volgen. Het uitzenden van comedy is een uitkomst voor omroepen; de produktiekosten zijn laag en de behoefte groot. Comedy hangt sowieso in de lucht, want in hetzelfde jaar beginnen de uitzendingen van het satirische Amerikaanse programma Saturday Night Live. Deze televisieuitzendingen hebben een enorme invloed. Niet alleen kan opeens een veel groter publiek kennis maken met stand-up comedy, ook wordt duidelijk dat de ervaring opgedaan als stand-up comedian een perfecte springplank zijn naar een film- of televisiecarrière. Steeds meer jonge mensen meldden zich om op te mogen treden in the Improv en The Comedy Store. Vooral ook als onder invloed van een staking van de comedians de gages omhoog gaan en het mogelijk wordt om van stand-up te leven. Er ontstaat een duidelijk verschil tussen professionals en amateurs. De professionals kunnen in steeds meer clubs terecht. In 1980 kent Amerika 10 permanente comedyclubs, eind jaren tachtig zijn dat er al bijna 300. Op de kabel bestaan comedychannels die 24 uur per dag comedy uitzenden. Het blad Rolling Stone spreekt van "de rock en roll van de jaren tachtig".

Inmiddels is de comedyboom in Amerika volledig voorbij. Door het grote aantal clubs en de tv-programma's die stand-up comedians lieten optreden ontstond er een enorme vraag naar comedians, maar het aanbod aan werkelijk oorspronkelijke en originele comedians bleef daar ver op achter. Stand up werd voor veel mensen achter de schermen en op het podium een interessante carrière move in plaats van een roeping. Het 'hippe' publiek dat voorheen de clubs bevolkte haakte massaal af, gevolgd door de rest van de bezoekers die constant comedians op tv voorbij zagen komen. De comedians zelf hielden zich grotendeels bezig met het kopiëren van elkaars materiaal en stijl. Na jaren waarin vele clubs de deuren moesten sluiten en de boom weer tot rust is gekomen begint stand-up weer langzaam tot bloei te komen in amerika.
Meer info:
Voor meer info ga je naar www.comedytrain.nl
Zij weten echt alles van Stand-up Comedy!
(Deze tekst is afkomstig van ComedyTrain. www.comedytrain.nl)
Alle rechten voorbehouden: © Copyrights Cabaretmagazine.nl 2003 - 2017
Disclaimer - Twitter - Facebook - Contact
customer service software technical support
Live Chat by Comm100